Met mijn vader ging ik vaak de natuur in. Hij leerde mij kijken, horen en voelen: wat valt op, en is iets wat goed voelt ook echt goed? Met mijn moeder bedacht ik voor elk probleem een praktische oplossing. Met mijn zussen ontdekte ik vroeg dat twee mensen hetzelfde moment heel anders kunnen beleven, en dat beide verhalen kloppen.
Tijdens mijn studie Psychologie herinner ik me een casusbespreking waarbij slechts drie van de dertig studenten tot hetzelfde oordeel kwamen. Wat anderen zekerheid gaf, bracht bij mij twijfel. Hoe kun je zo stellig iets beweren als je niet alles weet? En waarom lag de focus zo op het probleem, terwijl er zoveel moois in iemand zit?
In mijn werk zocht ik naar meer dan een plat plaatje van wie iemand is. Ik wilde de diepte in: niet alleen wat iemand doet of denkt, maar ook wat iemand voelt, wat iemand drijft en wat er onbewust in de weg zit. Dat bracht me naar een integratie van methodieken uit de psychologie én de loopbaanpraktijk: cognitieve gedragstherapie, ACT, het motivatiekompas, de Kerntalentenanalyse. Niet als doel, maar als lenzen om het hele plaatje zichtbaar te maken.